Fragment

Een fragment: Het badhuis aan Lafayette

Zijn route naar huis was, zoals altijd, hetzelfde. Uit de loge van het hotel klonk muziek en het petit-dejeuner was overgegaan in de lunch. De Bohemien van Greenwich Village zat geanimeerd met elkaar te praten, kunstenaars, artiesten, acteurs en schrijvers. Af en toe klonk een bulderende uitbundige lach. Hij herkende de gezichten uit de winkel. Hij had met ze geflirt. Heel stiekem want zijn oom keek vanachter zijn boekhouding altijd argwanend over de rand van zijn brillenglazen. Hij kon het alleen niet tegenhouden, het flirten.

Hij liep er snel voorbij. Rechts langs het Duitse huis, naar Washington park……

Hij moest zich inhouden. Hij dacht aan zijn toekomst. Gespannen liep hij verder, zijn schouders opgetrokken. Hij moest zijn gedachten proberen stil te zetten. Hij had het zo graag goed willen doen voor zijn ouders maar hij wist dat zij dat anders zagen. Hij was mislukt, als mens en als man. In hun ogen en in de ogen van God. Kinderen zou hij nooit kunnen krijgen. En dat was maar goed ook. Het enige dat hem te doen stond, is bidden, geloven en knielen. Hij moest zijn zonden wegwassen in afzondering en van verleidingen wegblijven. Vluchten voor alles wat hem kwaad kon doen. Zijn pas werd driftiger, sneller. Hij nam een afslag links en weer eentje.

Hij draaide om en liep richting het Noorden. Kort bleef hij staan op Washington Square en keek hij omhoog. De wolken trokken met grote snelheid langs de hemel en de triomfboog keek imposant en boosaardig op hem neer. Zijn hoofd spinde. Lucht wilde hij, ontspannen, vrij zijn van alles.

Alsof iets hem met grote kracht vooruit duwde, liep hij met ferme vastberaden pas verder, weg van huis. Het was tien blokken omhoog, 10th street, Union Square, Broadway en dan naar links de 28e straat op, naar The Everard. Het was een badhuis in een voormalig kerkgebouw. Het goddelijke huis van plezier, dacht hij in zichzelf. Er vormde zich een sarcastische trek om zijn mond. De kraag van zijn jas trok hij nog even omhoog.

Met een hand duwde hij de zware houten deur van het Romaans aandoende gebouw open. In zijn andere hand hield hij een dollar. Een man in een mouwloos wit katoenen hemd, gaf hem een sleutel, een handdoek en een badjas in ruil voor het dollarbiljet. Verdoofd, als in een roes, liep hij verder. Even keek hij schichtig om zich heen. Rijen met kleine kamertjes zonder ramen omgaven de grote ruimte. Er stonden simpele bedden. En van achter een deur hoorde hij gefluister, een lichte zucht, een gesmoorde kreun.

De stoom kwam hem tegemoet toen hij door de wazige ruimte het badhuis in keek. Naakte lijven en een prikkelende geur van mannenzweet en eucalyptus lieten zijn huid tintelen. Hij voelde het bloed naar zijn hoofd stijgen en de geilheid nam zijn lijf over. Een jonge atletische man, het donkere haar glimmend naar achteren gekamd, liep langzaam door de mistig dampende lucht op hem af. Hij pakte zijn arm, zei niets en voerde hem mee naar de kleedhokjes aan de linkerkant. Christiaan liet zich meevoeren, alsof iets het van zijn verstand overnam. Met een ferme zet, werd hij tegen de houten natte zijkant gedrukt en twee handen knoopten ruw zijn hemd los. De harde zwelling van de jongen stak in zijn bovenbeen. Strelend over zijn borst vond de jongen zijn weg naar beneden. Hij dacht aan zijn moeder, hij dacht aan God maar het leek alsof hij een grens was gepasseerd en niet meer terug kon. Hij kon zijn eigen opgewondenheid ook niet meer verbergen. Hij wilde wegrennen maar in plaats daarvan keek hij de jongen smekend aan. Hij wilde hem aanraken. De jongen deed een stap achteruit. Hij knielde voor Christiaan neer en trok zijn broek tergend langzaam omlaag. Het deed bijna pijn. Hij dacht aan zijn vader en haatte hem nog meer. De lippen van de jongen omsloten zijn penis, en ritmisch zoog hij hem leeg. Het leek alsof alles in hem ontplofte en een allesoverheersend tintelend gevoel zijn onderbuik in bezit nam. Hij zakte ineen op de harde vloer en bleef uitgeput liggen. En net zoals in de donkere kelder waar de absint door zijn aderen had gekolkt, hallucineerde hij. Golvende kleuren kolkten er rond en draaiende patronen vulden zijn hoofd. Rare tonen, hoog en laag, drongen zijn oren binnen en even dacht hij God weer aan te kunnen raken, zelfs bijna te kunnen zien.

Toen Christiaan zijn ogen opende was de jongen weg, verdwenen, de dampende zwoele ruimte in. Zijn ogen gleden bewonderend over de mannenlichamen, zijn adem klonk zwaar en onregelmatig. Hij keek naar de verste uithoek en twijfelde of hij op moest staan. Twee mannen bewogen ritmisch op en neer. Hij zag gebukte mannen, knielende zuigende mannen, wrijvende mannen. Glimmend van het zweet, kronkelden ze in elkaar. Uit de mist ontsnapten gesmoorde geluiden en het rook naar een mengsel van eucalyptus, olijfolie en amandelen. Dronken van begeerte lag hij daar in de hoek op de klamme marmeren vloer. Hij zoog alle beelden in zich op en zou ze mee naar huis nemen. Het was zijn eerste keer.

Hij moest kort zijn weggedoezeld. Een oudere man, slechts gehuld in een handdoek, schudde aan zijn schouder. Het donkere buiten liet zich door de beslagen ronde glas-in-lood ramen in de hoge muur zien. Hij stond op, greep zijn kleren bij elkaar, trok zijn broek aan en rende in paniek struikelend over zijn eigen voeten over de gladde vloer het badhuis uit. In een rechte lijn rende hij over de natte keien van Broadway, naar de kerk. Zijn jas en overhemd half open en gescheurd bij de bovenste knopen, zijn schoenen hield hij in zijn hand.

Hij moest kotsen. Naast de eikenhouten zware zwarte deuren en onder het oog van de Heilige maagd Maria in haar console kwamen al zijn zonden er golvend uit. Op de muur, daar waar hij gedoopt was, daar waar hij in het jongenskoor onschuldige liederen gezongen had, vormde zich nu een warme roodoranje korzelige druipende plak. Deze heilige plek was voorgoed door hem besmeurd. Hij keek naar boven, naar het uitgehakte tafereel van Jezus, bezwijkend onder zijn kruis. De zure smaak vulde zijn mond en de scherpte van het vieze goedje beet in zijn tong en in zijn keel. Het was gelukkig donker en de gaslampen gaven net niet genoeg licht. Hij hoopte maar dat hij onzichtbaar was. Met de mouw van zijn stugge wollen jas veegde hij zijn mond af. Hij nam een grote teug lucht. Even leek het verfrissend maar de smerige zure smaak kwam er alweer snel doorheen. Het koude zweet sijpelde over zijn rug en zijn samengebalde vuisten hingen naast zijn lichaam.

Hij voelde aan de deur en begreep dat die gesloten was. Paniekerig rammelde hij hard aan de zware koperen knop. En toen dat niet lukte, sloeg hij met mijn vuisten op de deur totdat hij ze bijna niet meer voelde. Hij moest biechten, om verlossing vragen. Het kon niet wachten. Naar huis kon hij zeker niet. Duizelig hapte hij weer naar lucht en even spookte het door zijn hoofd dat het maar goed was dat hij nu niet op de kade van de Hudson stond. Hij was er zeker in gesprongen. Voorgoed onzichtbaar de diepe kolkende massa in.

Hij zakte in elkaar en begon onbedaarlijk te huilen. Met lange halen en snikken schokten zijn schouders heen en weer. Niets in hem leek hij nog te controleren. Zijn handen trilden, zijn benen schopten en zijn hoofd schudde als een bezeten heen en weer. Zijn lichaam gaf zich over aan een kracht die hij nog nooit had gevoeld. Alsof iets hem door elkaar schudde en liet weten wat hem te doen stond. Stekende golven van pijn schoten door zijn hart richting zijn onderbuik.

Nooit zou hij meer iemand van hetzelfde geslacht begeren. Het was zijn beslissing, daar op de trappen voor de kerk van zijn familie. Een koude rilling liep over zijn rug.

Het wachten op de stenen trap duurde zeker tien minuten. De deur ging langzaam open. De pastoor knielde naast hem en legde een hand op zijn opgetrokken schouders. Geschrokken deinsde hij terug. Het was een zelfde soort aanraking als in het badhuis, teder maar ook sturend en verleidend. Hij liep mee de donkere kerk in. De pastoor stak een kaars aan op het altaar en nam plaats op de voorste bank. De kleuren van de glas-in-lood ramen flonkerden in het schijnsel van de gaslampen over de witte pilaren en de schaduwen van zijn beeltenis en bewegingen werden vergroot in het flikkerende licht van de kaarsvlam.

Zijn schouders ontspanden zich en de rust overviel hem. Voorzichtig afwachtend nam hij plaats naast de pastoor. Hij keek naar zijn bebloede vuisten. Alles kwam er uit, met horten en stoten.

Hij voelde zich ziek, doodziek.

’Mag ik op het orgel spelen?’ vroeg hij. En de pastoor knikte weer.

Met gesloten ogen speelde hij Bach, zijn Toccata und Fugue, in D mineur.

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Google photo

You are commenting using your Google account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

Connecting to %s